Vandaag deed de Accountantskamer uitspraak in de klacht die wij hebben ingediend tegen twee accountants van de AFM. Graag informeren wij u over de uitkomst en de achtergrond van de zaak.
De kernvraag
Moet een accountant, ook als hij werkzaam is bij een toezichthouder, zijn oordeel aanpassen aan een onherroepelijk rechterlijke uitspraak? Wij vinden van wel. De Accountantskamer denkt daar helaas anders over.
De investering
Ruim tien jaar geleden participeert een fonds van Momentum (MEFI) in twee gebiedsontwikkelingen in Brazilië, samen goed voor circa 290 hectare. Het grondeigendom wordt onderbouwd met kadasterstukken en bevestigd door de toenmalige controlerend accountant EY. In recente jaren bevestigt ook de huidige controlerend accountant KPMG dit bezit. In 2017 versterken wij vrijwillig de balans ten gunste van onze obligatiehouders in dit fonds.
De obligaties zijn in 2022 volledig en naar tevredenheid afgerond.
Beoordeling door AFM-accountants
Vanaf eind 2018 stellen twee AFM accountants dat de investering geen belegging is, maar een deelneming die tegen kostprijs moet worden geconsolideerd in de jaarrekening. Ook maken ze feitelijke fouten, onder meer over het grondeigendom.
Rechterlijke bevestiging
Nadat eerder door het CBb was vastgesteld dat het grondeigendom voldoende onderbouwd werd door Momentum, oordeelde de Ondernemingskamer in 2023 ondubbelzinnig dat er sprake is van een belegging die door Momentum terecht is gerubriceerd als participatie tegen fair value. Hiermee hadden de accountants van Momentum het ook op dit punt bij het juiste eind.
Klacht en uitspraak
Momentum heeft onder meer de uitspraak van de Ondernemingskamer aan de AFM-accountants voorgelegd. Toen de AFM-accountants weigerden hun oordeel aan te passen, legden wij, als onderdeel van onze klacht, deze principiële vraag voor aan de Accountantskamer:
“Moet een AFM-accountant zich houden aan het rechterlijk oordeel van de Ondernemingskamer?”
Reactie naar aanleiding van uitspraak Accountantskamer 31 maart 2025
· De Accountantskamer bevestigt het formeel in rechte vaststaande oordeel van de Ondernemingskamer dat Momentum het gelijk aan haar zijde heeft bij de rubricering van de participaties.
· Volgens de Accountantskamer mag van de betrokken AFM-accountants niet worden verwacht dat zij zelfstandig een standpunt innemen over de gevolgen van het rechterlijk oordeel van de Ondernemingskamer, zolang hun werkgever – de AFM – daar anders over denkt.
· Bovendien komt de Accountantskamer niet toe aan een inhoudelijk oordeel van de klachten over het individuele handelen van de betrokken accountants, omdat zij het belangrijkste bewijs daarvan terzijde schuift zonder daarvan kennis te nemen.
· Momentum beraadt zich op de uitspraak. Ondertussen kan Momentum zich niet aan de indruk onttrekken dat deze uitspraak van de Accountantskamer onderscheid maakt tussen accountants die werkzaam zijn bij de AFM en iedere andere accountant, al dan niet werkzaam bij een commerciële of overheidsorganisatie.
Slotopmerking
Deze uitspraak van de Accountantskamer doet geen recht aan het werk van onze eigen accountants. Al eerder werd duidelijk dat zowel EY als KPMG terecht hebben geconcludeerd dat het grondeigendom correct was onderbouwd. Met de uitspraak van de Ondernemingskamer in 2023 is bovendien in rechte komen vast te staan dat ook de rubricering door onze accountants in Nederland – als belegging, gewaardeerd tegen fair value – juist was.
Momentum spreekt dan ook haar waardering uit voor de zorgvuldigheid en professionaliteit waarmee onze accountants hun werk hebben gedaan. Juist om die reden betreuren wij dat de uitspraak van de Accountantskamer geen recht doet aan hun inzet en oordeelsvorming.
Indien er vragen zijn over dit bericht, stellen wij waar nodig materiaal beschikbaar ter verificatie.