Amsterdam, 17 april 2026 – De meervoudige kamer bestuursrecht van de Rechtbank Rotterdam oordeelde in de einduitspraak op 14 april dat de AFM ‘evident onredelijk’ handelt jegens Momentum en een last- en publicatiebesluit uit 2020 aangaande MEFI moet herzien.
Achtergrond
- MEFI – een dochtermaatschappij van Momentum Global Ventures met daarin enkele Braziliaanse vastgoedparticipaties – rondde in 2022 een obligatie-uitgifte naar tevredenheid van alle obligatiehouders af.
- De AFM had in 2020 inzake MEFI een last onder dwangsom opgelegd die grotendeels was gebaseerd op een verkeerd gebleken standpunt van de AFM over de wijze van rubricering in de jaarrekening in de jaren 2017 en 2018.
- Inzake de rubricering van MEFI oordeelde de Ondernemingskamer op 10 augustus 2023 reeds in het voordeel van Momentum.
- Omdat de AFM weigerde haar Last- en publicatiebesluit te herzien – ondanks deze duidelijke uitspraak van Ondernemingskamer en de vele publieke annotaties daarna – legde Momentum de zaak voor aan de meervoudige kamer bestuursrecht van de Rechtbank Rotterdam.
- De Rechtbank Rotterdam stelde Momentum op 15 januari in een tussenuitspraak reeds in het gelijk. Het was ‘evident onredelijk’ van de AFM om het last en publicatiebesluit niet te herzien, de AFM hanteerde een verkeerde uitleg van de boekhoudregels en dient die te herstellen.
- In haar einduitspraak op 14 april 2026 wees de Rechtbank een verzoek van de AFM om terug te komen op de tussenuitspraak af en verklaarde de beroepen van Momentum en MEFI gegrond.
In de tussenuitspraak en het eindoordeel oordeelt de meervoudige kamer bestuursrecht van de Rechtbank Rotterdam daarover onder meer:
Tussenuitspraak 15 januari 2026: Weigering AFM evident onredelijk
10.Uit rechtspraak van bestuursrechters blijkt dat de weigering van een bestuursorgaan om van een eerder besluit terug te komen evident onredelijk is als uit een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of in minimaal onderzoek blijkt dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, of als uit bijzondere feiten of omstandigheden blijkt dat het bestuursorgaan in een specifiek geval minder belang aan de rechtszekerheid had moeten toekennen dan aan het (financiële) belang van de betrokkenen.
Conclusie
16. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van de Ondernemingskamer geen andere conclusie toelaat dan dat de waardering van de Braziliaanse belangen in de jaarrekeningen 2017 en 2018 van eiseres 2 juist is. Omdat het last- en publicatiebesluit grotendeels zijn gebaseerd op het onjuist gebleken standpunt van de AFM over de kwalificatie en waardering van die belangen, heeft de AFM niet in redelijkheid kunnen weigeren het herzieningsverzoek inhoudelijk te beoordelen en het last- en publicatiebesluit te herzien […].
Einduitspraak 14 april 2026: Beroepen Momentum gegrond verklaard
Conclusie en gevolgen
3.1. Omdat zich in deze zaken geen zeer bijzonder geval voordoet dat maakt dat de rechtbank moet terugkomen van haar tussenuitspraak, wijst de rechtbank het verzoek van de AFM om terug te komen van de tussenuitspraak af en verklaart zij de beroepen van eiseressen gegrond […].
Reactie Momentum:
“Ondanks dat de obligaties in deze relatief kleine dochtermaatschappij MEFI in 2022 naar tevredenheid van alle obligatiehouders waren afgewikkeld, heeft Momentum deze zaak tegen de AFM toch gevoerd. Ook voor onze investeerders, accountants en marktpartijen is het belangrijk dat we nu het vonnis van de bestuursrechters hebben die het standpunt van Momentum bevestigd: een uitspraak van de Ondernemingskamer met formele rechtskracht kan niet worden genegeerd door de AFM. Momentum is de rechtspraak erkentelijk voor de duidelijkheid die zij heeft verschaft, aan Momentum, de AFM en andere marktpartijen.”
Handreiking AFM
Donderdag 9 april, enkele uren nadat de Rechtbank Rotterdam had aangekondigd dat de einduitspraak aanstaande was, ontving Momentum via een advocaat van Pels Rijcken namens de Autoriteit Financiële Markten het bericht dat de AFM bereid is tot overleg en graag verneemt of Momentum daartoe bereid is.
Reactie Momentum oprichter Martijn van Rheenen
“Momentum is natuurlijk tevreden dat ze nu ook door de bestuursrechters in het gelijk is gesteld en de AFM haar fout moet herstellen. Maar blij ben ik niet, na maar liefst twaalf zittingen, in bijna zes jaar, bij verschillende instanties, is het voor alle partijen vooral een moment voor reflectie.
Het is inmiddels de vierde keer dat de AFM gecorrigeerd wordt in deze zaak:
1) het CBb oordeelde in 2023 al dat de last onuitvoerbaar was omdat alle obligatiehouders gekregen hebben waar zij recht op hadden,
2) het Gerechtshof in Amsterdam oordeelde in 2023 dat de AFM onrechtmatig te vroeg had gepubliceerd,
3) de Ondernemingskamer bevestigde in 2023 een cruciale fout in het kernverwijt van de AFM, waarop het lastbesluit grotendeels was gebaseerd en
4) nu dus de Bestuursrechters die oordelen dat de AFM evident onredelijk handelt door deze fouten niet te herzien.
Ondanks dat we deze procedures winnen, willen we een goede relatie met de Toezichthouder niet verliezen. De advocaten van Pels Rijcken hebben, namens de AFM, een aanbod tot mediation tot twee keer toe afgeslagen. Eenmaal op 3 augustus 2022 in een reactie op een aanbod van Momentum en een tweede maal op 25 september 2025 in een reactie op een vraag van de voorzitter tijdens de zitting bij de Rechtbank Rotterdam. Dat waren wat ons betreft twee gemiste kansen, voor alle betrokkenen.
Afgelopen week heeft het bestuur van Momentum daarom besloten een op 9 april namens de AFM verzonden handreiking voor overleg te aanvaarden. Momentum zal zich opnieuw constructief opstellen en we hopen dat de Toezichthouder haar autoriteit ook intern laat gelden, door fouten te onderkennen en te beginnen met herstel. Waarbij ik wil aangeven dat wij hebben geleerd van deze procedures, ook ik persoonlijk.”
Link naar tussenuitspraak 15 januari 2026: Weigering AFM evident onredelijk.
Link naar einduitspraak 14 april 2026: Beroepen Momentum gegrond verklaard.